Speel met de complexiteit van je opdrachten zodat ze voor elk kind voldoende uitdagend, maar ook haalbaar, zijn.

Als je betekenisvolle taken uitwerkt, denk je ook na over de differentiatie die je zal moeten toepassen. Om te kunnen differentiëren, moet je in de eerste plaats de kinderen goed kennen. Daarvoor grijp je terug naar je beginsituatie en observeer je het kind. Zo kan je te weten komen welke aanpassingen je kan of moet doen. Kenmerken van kinderen die interessant zijn om in het achterhoofd te houden als je gaat differentiëren:

  • Huidig niveau van taalvaardigheid en taalkennis
  • Kennis van andere talen
  • Motivatie, interesse
  • Kennis van de wereld
  • Cognitieve ontwikkeling
  • Durf, assertiviteit, extravertie
  • Faalangst, zelfvertrouwen
  • Welbevinden en betrokkenheid
  • ….

Een betekenisvolle taak of taaltaak (taak waarbij taal nodig is om het buitentalige doel te bereiken) kan je zelf zo complex maken als je wil. Dat doe je door bepaalde parameters aan te passen.

Parameters die vaak gebruikt worden zijn de context (een herkenbare, concrete situatie of een abstracte situatie) of kenmerken van de taalelementen (de moeilijkheidsgraad van de woordenschat, de zinsbouw, de lengte van de zinnen …) Taken waarbij de receptieve vaardigheden (luisteren, lezen) voldoende zijn, zijn gemakkelijker dan taken waarbij ook productieve vaardigheden nodig zijn (spreken, schrijven). Je kan verder variëren in het aantal taken dat de kinderen tegelijkertijd moeten maken, hoeveel informatie ze moeten verwerken, de (visuele) ondersteuning die ze krijgen …

In het schema hieronder kan je nog heel wat parameters zien die je kan aanpassen om de complexiteit van je taaltaak te verhogen of te verlagen. Op die manier kan je elke taak aanpassen aan het niveau van de doelgroep. (Aangepast overgenomen uit Van den Branden, K.)